• Jessica van Gastel

Het nut van een goede aandeelhoudersovereenkomst

De Ondernemingskamer (“OK”) wees op 11 juni 2019 een arrest waarmee de vordering van een aandeelhouder om te mogen uittreden, werd afgewezen. Met een dergelijke vordering wordt de rechter door een aandeelhouder gevraagd om de andere aandeelhouder(s) te veroordelen zijn aandelen over te nemen vanwege de gedragingen van die andere aandeelhouder(s) waardoor hij zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap niet meer van hem kan worden gevergd.


De vordering tot uittreding

De procedure tot uittreding is met de huidige wetgeving verbeterd. Voordat deze van kracht werd, was een lange adem vereist. Dat had drie oorzaken. In de eerste plaats was het uit elkaar halen van twistende aandeelhouders pas mogelijk nadat twee procedures volledig waren uitgeprocedeerd (wat pas het geval is na een eventueel hoger beroep of cassatie). De vertrekkende aandeelhouder diende eerst te laten vaststellen of er voldoende gronden voor uittreding waren. Was dat vastgesteld, dan begon de tweede procedure waarin de waarde van de betrokken aandelen moest worden vastgesteld. Pas na voltooiing van die tweede procedure kon overdracht plaatsvinden.


Met de huidige regelgeving is dat verbeterd. De aanleiding voor de vordering tot uittreding moet gelegen zijn in gedragingen van de mede-aandeelhouder(s) of van de vennootschap zelf. Als de vordering tot uittreding (bij tussenvonnis) wordt toegewezen dan benoemt de rechter een deskundige ter vaststelling van de prijs (tenzij die eenvoudig op andere wijze kan worden bepaald). Bij eindvonnis wordt de overdracht en betaling van de aandelen gelast. Dat vonnis kan uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat daar uitvoering aan gegeven moet worden ondanks dat tegen dat vonnis appèl wordt ingesteld. Geen twee afzonderlijke procedures dus meer die ook niet uitgeprocedeerd hoeven te worden.


De uitspraak

De procedure die tot de uitspraak heeft geleid, kent een achtergrond. Het Deus Ex Machina (DEM) geschil draait om 20% minderheidsaandeelhouder Craver en 80% meerderheidsaandeelhouder JKS Holding B.V. waarvan Nyks alle aandelen houdt. Nyks is enig bestuurder van DEM.


Door een statutenwijziging zijn twee klassen van aandelen gecreëerd, waarbij 89% van de waarde van de onderneming wordt gealloceerd aan de preferente aandelen, en de overige 11% aan de gewone aandelen, waarbij de ratio 20:80 tussen Craver en JKS bij elke klasse blijft gehandhaafd. Enige tijd later besluit het bestuur tot uitgifte van gewone aandelen aan uitsluitend JKS, waarbij de gewone aandelen van Craver verwateren van 20% naar 4,58%. Craver handhaaft wel zijn 20% van de uitstaande prefs.



In het eerste tussenvonnis overweegt de rechtbank dat de herstructurering ertoe heeft geleid dat Craver is uitgesloten van toekomstige waardevermeerdering van DEM. Daarbij is stelselmatig relevante informatie aan Craver onthouden, zodat hij zich niet met succes tegen de uitgifte kon verzetten. De rechtbank oordeelt dat dit zwaarwegende gedragingen zijn die uittreding rechtvaardigen. In het eindvonnis worden JKS en DEM veroordeeld om elk de helft van de aandelen van Craver over te nemen voor een totale koopprijs van € 7,5 miljoen.

Ondertussen was er een andere procedure bij de OK aanhangig, namelijk in verband met de vaststelling van wanbeleid. Volgens de OK is er sprake van wanbeleid omdat bij de tweede uitgifte van aandelen er oneigenlijk gebruik is gemaakt van de uitgiftebevoegdheid en dat dit besluit niet genomen had mogen worden, zonder dat Craver daarvan van tevoren op de hoogte was gesteld. Ook het niet tijdig publiceren van de jaarrekening levert volgens de OK wanbeleid op.


Het oordeel

JKS en DEM stellen hoger beroep in van het vonnis waarmee de vordering tot uittreding is toegewezen. Ondanks dat de OK eerder had geoordeeld dat sprake was van wanbeleid, hield de uitspraak van de rechtbank geen stand en werd de vordering tot uittreding door de OK afgewezen. Craver is weliswaar disproportioneel in zijn gewone aandelen verwaterd en hierover had hij vooraf geïnformeerd moeten worden, maar dat is onvoldoende om uittreding te rechtvaardigen. Volgens de OK is hierbij relevant dat 89% van de waarde van de onderneming is gealloceerd aan de prefs en dat Craver daarin niet is verwaterd. Voorts acht de OK de emissieprijs bij de uitgifte aan JKS niet te laag, zodat Craver daardoor niet zou zijn benadeeld.


Conclusie

Craver als uittredende aandeelhouder had er baat bij gehad wanneer middels een aandeelhoudersovereenkomst een goede geschillenregeling overeengekomen zou zijn waarbij de statuten in lijn met die overeenkomst is gebracht. Zo’n statutaire voorziening geniet de voorkeur omdat deze ook stand houdt bij latere toetreders. De wet geeft in artikel 2:337 lid 1 BW aan zo’n eigen regeling ook uitdrukkelijk voorrang. In de aandeelhoudersovereenkomst kunnen ook andere zaken dan een geschillenregeling opgenomen worden zoals het uitkeren van dividend, de wijze waarop de onderneming gefinancierd wordt, verkoop van de onderneming etc.


Voor vragen over het onderwerp van dit artikel of andere ondernemingsrechtelijke kwesties kunt u contact opnemen met één van onze ondernemingsrechtspecialisten Marco den Otter

(076 - 525 35 35).

0 keer bekeken

Bezoekadres:

Kessels Advocaten

Julianalaan 1

4819 AB Breda

T: +31 (0)76 525 3535

E: info@kesselsadvocaten.nl

Correspondentieadres:

Postbus 2090

4800 CB Breda

  • facebook-logo-button (5)
  • twitter-logo-button (3)
  • linkedin-logo-button

© 2019 Flor-IT - www.flor-it.nl