• Ancella Klunne

Voor wiens rekening komen (extreme) prijsstijgingen in de bouw?


Is de oorlog in Oekraïne een onvoorziene omstandigheid?


De prijzen van bouwmaterialen zijn de afgelopen tijd gestegen. Bij het bepalen van hun prijs houden aannemers rekening met normaal te verwachten prijsstijgingen. Als sprake is van extreme prijsstijgingen dan rijst de vraag of de aannemer recht heeft op vergoeding van de daardoor voor hem ontstane extra kosten. Een van de grondslagen voor de aannemer om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van die extra kosten is te vinden in artikel 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden). Recent hebben arbiters van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen geoordeeld dat de oorlog in Oekraïne te gelden heeft als een onvoorziene omstandigheid.


In de arbitrage procedure ging het om een aannemingsovereenkomst gesloten in oktober 2020. Overeengekomen werd dat de aanneemsom prijsvast is tot en met december 2021 en voor de periode daarna gold een indexering. Het bepaalde in paragraaf 47 UAV 2012 en artikel 7:753 BW werd niet van toepassing verklaard. Beide bepalingen zien op de mogelijkheid voor de aannemer om in geval sprake is van kostenverhogende omstandigheden, aanspraak te maken op bijbetaling. De overeengekomen startdatum bouw wordt door arbiters vastgesteld op week 46 van 2021. In maart 2022 was aannemer nog niet aangevangen met de bouw.


De aannemer maakte aanspraak op bijbetaling in verband met (extreme) prijsstijgingen. Arbiters overwegen dat door de voortdurende oorlog in Oekraïne die op 24 februari 2022 is aangevangen, tal van producten zijn gestegen, van sommige zelfs (zeer) sterk en niet alleen van gas, olie en benzine. De situatie op de toch al overspannen bouwmarkt met stijgende bouwkosten en (dreigende) (personeels)tekorten is naar het oordeel van arbiters alleen maar nijpender geworden.


Arbiters zijn van oordeel dat deze situatie een onvoorziene omstandigheid is in de zin van artikel 6:258 BW. Dat artikel is van dwingend recht (hetgeen betekent dat partijen daar in hun overeenkomst niet van mogen afwijken). Het artikel bepaalt dat de rechter op verlangen van een van partijen de gevolgen van een overeenkomst kan wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding niet mag verwachten.


Ofwel, de opdrachtgever mag niet verwachten dat de overeenkomst (en daarmee dus de overeengekomen aanneemsom) ongewijzigd in stand blijft. Dat brengt met zich mee dat de aannemer aanspraak kan maken op vergoeding van extra kosten. De hoogte van de vergoeding is in de arbitrage procedure door arbiters niet vastgesteld. Partijen zullen daartoe samen in gesprek moeten gaan. Wel diende de aannemer te starten met de bouw.


Conclusie: voor de aannemer is deze uitspraak gunstig. In de discussies die aannemers op dit moment met hun opdrachtgevers hebben over vergoeding van (extreme) prijsstijgingen, kan deze uitspraak in het voordeel van de aannemers worden gebruikt. De aannemer is er echter nog niet. Hij zal moeten aantonen dat sprake is van prijsstijgingen die extreem zijn en het gevolg zijn van de oorlog in Oekraïne. En dat aantonen zal niet altijd gemakkelijk zijn.


Voor het vonnis: zie RvA 25 augustus 2022, nr. 37.382.Raad van Arbitrage voor de Bouw, 37.382, 25-08-2022 - Raad van Arbitrage - Document


Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact met ons op!

Ancella Klunne

Advocaat Bouwrecht



22 weergaven